Get Adobe Flash player
Prof. dr. Arnoud-Jan Bijsterveld
Hoogleraar Cultuur in Brabant aan de Universiteit van Tilburg

Tilburg, 17 mei 2009

Iedere zondagmorgen, dames en heren, dus ook vanmorgen, ontbijten wij thuis volgens onze eigen traditie: met zilveren bestek, bijzondere thee, een glaasje sap en – we blijven Brabanders – een worstenbroodje. Zo markeren wij het bijzondere moment – de zondagochtend – en onderstrepen wij onze bijzondere band. Ziehier de kern van wat een traditie is: een in de tijd herhaalde of doorgegeven handeling die verloopt volgens een vast patroon, die het moment markeert en een ervaring van menselijke verbondenheid versterkt. Daardoor ontstijgen tijd, plaats en onderlinge band het alledaagse bestaan.

Precies dat, dames en heren, was en is de waarde van tradities: ze onderstrepen het belang van sociale binding en het gemeenschapsgevoel.

Dat werkt zo in een gezin, maar ook in een grotere gemeenschap: een buurt, een dorp, een regio en zelfs een land. Ik herinner me een zondagse traditie die, toen ik kind was, de verbondenheid op dorpsniveau gestalte gaf. Op zondag, maar dan alleen, mochten we midden op straat lopen, wanneer we met ons gezin naar de kerk liepen. Dat kon, want iedereen ging immers te voet naar de kerk. Die traditie is, met de vanzelfsprekendheid van de lokale geloofsgemeenschap, verdwenen, en daarmee verdween een belangrijke factor van sociale samenhang. In algemene zin zijn sinds de jaren vijftig sociale controle en sociale cohesie als vanzelfsprekend resultaat van een gezamenlijk beleden geloof afgekalfd. De winst die we boekten aan individuele vrijheid, kostte ons een stuk lotsverbondenheid.

De laatste jaren realiseren we ons dat we onderweg iets verloren zijn. Dat gevoel wordt nog eens versterkt doordat zogenoemde 'autochtone' Nederlanders geconfronteerd worden met het geloof en de daaruit voortvloeiende gemeenschapscultuur van 'nieuwe Nederlanders'. Ondanks ons individualisme willen we toch ergens bij horen, al is het maar bij de supporters van Oranje of de fans van André Hazes. Sindsdien zijn we op zoek naar nieuwe dragers van cohesie en naar de grondslagen van een gedeelde identiteit. Tastenderwijs zoeken we ons heil – opnieuw – in erfgoed, geschiedenis, cultuur en tradities. Helder is in ieder geval dat de vraag 'wat bindt ons?' in onze tijd alle vrijblijvendheid heeft verloren en niet voor niets bovenaan de maatschappelijke agenda staat.

Deze algemene gehechtheid aan de sociaal bindende kracht van traditie wordt vaak wel aangevoeld, maar zelden expliciet onder woorden gebracht. Die gehechtheid impliceert echter wél dat we onze tradities moeten onderhouden, vernieuwen en zonodig vervangen. Levende tradities, die mensen echt samenbinden, zijn namelijk nooit vanzelfsprekend. Ze vragen om voortdurende toe-eigening en betekenisgeving: want als mensen zich tradities niet eigen maken en niet een voor hen betekenisvolle lading geven, verworden ze tot loze gebaren. Zodra mensen hun betekenis niet meer kennen, of beter gezegd, er geen betekenis meer in kunnen leggen, zijn ze ten dode opgeschreven en verliezen ze hun bindende kracht.

Daaruit volgt dat tradities bijna per definitie dynamisch zijn: betekenissen veranderen en daarmee vaak ook hun uiterlijke vormen. Dat lijkt paradoxaal en de talrijke mensen in Nederland die ontzettend hun best doen om tradities te koesteren, te onderhouden en door te geven, kennen die paradox wel: op het moment dat ze zich erover ontfermen en ze trachten oude tradities te behouden én nieuw leven in te blazen, veranderen ze onherroepelijk. Het doorgeven – het woord traditie kom van het Latijns woord tradere, voor doorgeven – impliceert dus altijd verandering, vernieuwing en dynamiek. Wetenschappers hebben hiervoor begrippen ontwikkeld als folklorisering en 'invention of tradition'.

Het waren de historici Eric Hobsbawm en Terence Ranger, die in de jaren tachtig van de vorige eeuw het begrip 'invention of tradition', het 'uitvinden' van tradities, bedachten. Zij constateerden dat dit proces continu gaande is: mensen vinden nieuwe tradities uit, als een uiting van hun complexe verhouding tot heden en verleden. Ze willen graag iets uit het verleden behouden en doorgeven maar moeten dat noodgedwongen doen in de taal van het heden, en dat stelt nieuwe eisen aan hun oude gebruiken.

Sommige wetenschappers hebben de genoemde begrippen – folklorisering, 'invention of tradition' – aangegrepen om tradities als onecht of niet authentiek te ontmaskeren. Omgekeerd ervoeren veel mensen wier tradities als nieuwe tradities werden aangemerkt, dat als een veroordeling, een afkeuring. Zowel deze wetenschappers als de beoefenaars van tradities hebben het bij het verkeerde eind. Juist omdat tradities per definitie dynamisch zijn, is authenticiteit geen criterium voor hun waarde, wel de actuele maatschappelijke betekenis ervan. Juist het feit dat folkloregroepen, schuttersgilden, Koninginnedagvierders en wie al niet meer worden beticht van het zogenaamd uitvinden van tradities, is een teken dat hun tradities bijdetijds en betekenisvol zijn. Niet voor niets raakten de gebeurtenissen van de laatste Koninginnedag talloze Nederlanders in hun hart: hoewel mislukt als aanslag op de koninklijke familie, was de dollemansrit immers een geslaagde aanval op de ongedwongenheid van deze viering van nationale verbondenheid. Een viering die de laatste jaren alleen maar aan omvang én belang heeft gewonnen, waarbij koekhappen en zaklopen kennelijk voor veel meer staan dan alleen onschuldig kindervermaak. Dat maakt ons nog eens ervan bewust hoe waardevol het is dat hedendaagse generaties nieuwe tradities en nieuwe duidingen toevoegen. Want in tegenstelling tot vroeger, toen we meenden tradities uit het verleden vooral zo ongeschonden mogelijk te moeten behouden, gaat het nu voornamelijk om het actualiseren en doorgeven ervan: het jasje is nieuw, de kern blijft.

In mijn geboortedorp wandelen de mensen op zondag niet meer samen over straat naar de kerk. Andere tradities, van recente of iets oudere oorsprong, zijn ervoor in de plaats gekomen om de onderlinge band in het dorp te onderstrepen. In mijn geboortedorp organiseert de Vereniging voor de Jeugd, opgericht in 1907, jaarlijks, naast de intocht van Sinterklaas, op Koninginnedag een kindermarkt met spelletjes en ze doen dat al zolang ik weet. Iedereen die uit het dorp is uitgezwermd, komt ervoor terug, zodat ik op die kindermarkt bijna ieder jaar mijn oud-klasgenoten tref. Hun kinderen doen daar precies dezelfde spelletjes als wij destijds, maar ook heel veel nieuwe. In deze stad is er een nog jonge traditie in de vorm van de zomerse T-Parade, de door veel muziek omlijste, kleurrijke parade van loopgroepen en praalwagens uit alle Tilburgse bevolkingsgroepen, vorig jaar goed voor 50.000 toeschouwers die zo hun betrokkenheid op elkaar willen uiten en vieren.

Zo is het ook met de reuzen die vandaag door Tilburg paraderen. Een deel daarvan gaat terug op tradities uit een soms ver verleden. We weten uit bronnen die soms teruggaan tot de late Middeleeuwen dat reuzen acte de présence gaven in stedelijke ommegangen en processies, feesten waarin de identiteit van de stad werd gevierd en uitgedragen. Een ander deel van de reuzen, zoals die van Tilburg, Udenhout, Berkel-Enschot, Moergestel, Heukelom, Oisterwijk en Hilvarenbeek, zijn recente toe-eigeningen van dit oude idee. Een hedendaagse generatie geeft door middel van een reus of reuzin uitdrukking aan een gedeelde identiteit en lotsverbondenheid, uit een behoefte saamhorigheidsgevoel op te bouwen en een bijdrage te leveren aan de in onze samenleving zo noodzakelijke sociale samenhang.

In tradities, of ze nu in een gezin, een dorp, een stad of een land worden beleefd en doorgegeven, proberen mensen de grenzen tussen verleden en heden te overstijgen en de band tussen elkaar zichtbaar te maken. Veel tradities maken natuurlijk een onderscheid tussen insiders en outsiders, langs lijnen van leeftijd, geslacht of godsdienst. In onze tijd hebben we evenwel de opdracht inclusief te denken in plaats van exclusief. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ik hoop dat de vandaag gevierde Reuzendag ons opnieuw bewust zal maken van de bindende kracht van tradities, zodat we oude en nieuwe tradities weer hun centrale betekenis kunnen geven: die van bindmiddel in de samenleving.

Op de op 1 november 2008 bekendgemaakte top 100 van de meest favoriete tradities van de Nederlanders staat de reuzencultuur op de 43-ste plaats. Dat is een hoge klassering voor een traditie die in Nederland, vergeleken met België en een aantal andere Europese landen, relatief weinig voorkomt. Nederland telt achttien officiële reuzen. Als de twee kinderreuzen van Bergen op Zoom worden meegeteld, zijn het er twintig. Ter vergelijking: In België komen naar schatting van directeur Laurant Dubuisson van het Maison des Géants in het Waalse Ath 1500 reuzen voor, in Spanje rond de 2000 en in Frankrijk 560. Voor Italië komt hij met een aantal van 60 reuzen, Engeland 40, Oostenrijk 20, Portugal tussen de 100 en de 150 en Duitsland 1. Die ene Duitse reus is gebouwd op initiatief van een Spaanse vrouw die naar dat land is geëmigreerd.

Dat de Nederlandse reuzen toch hoog scoren wat betreft populariteit, heeft een aantal oorzaken. De eerste is de letterlijk grote zichtbaarheid van de reuzen; je kijkt er met geen mogelijkheid om heen. De grootste reuzen van Nederland komen allemaal uit rond de zes meter. Sjtuf (Sint Christoffel) van Roermond is met 5,95 meter de grootste. Meteen daarna komen Gigantius van Maastricht, Sint Martinus van Losser en Greate Pier van Wûnseradiel. De lengte van Sint Martinius werd recent met een halve meter ingekort. Het promotioneel voordeel van de grootste reus van Nederland (6,4 meter) woog niet op tegen de problemen die deze lengte oplevert bij optredens. Straatlantaarns blijken in Nederland rond de zes meter boven het plaveisel te hangen. Door daar onder te blijven kan een reus gemakkelijker worden uitgenodigd voor een optreden.

Voor zover ik weet is het trouwens voor de eerste keer dat een Nederlandse reus is ingekort. De directe aanleiding lag hier, vandaag in Tilburg. Als alle hangende straatlantaarns langs de route van de reuzenoptocht verwijderd hadden moeten worden, dan was de organisatie daar tienduizend euro aan kwijt geweest. Dan was er gewoon geen reuzenoptocht gekomen. Losser bleek bereid de reus letterlijk aan te passen. Dat kwam de organisatie nog duur te staan want de constructie werd er door aangetast. Dat is de reden waarom Martinus van Losser vandaag niet meeloopt. Hij is wel stationair aanwezig op het Pieter Vreedeplein.

Maar terug naar de populariteit van het reuzendom in Nederland. Een tweede reden voor de bekendheid van de reuzen is gelegen in het feit dat deze uiting van volkscultuur in Nederland zeer vitaal is. Dat geldt voor vrijwel alle Europese reuzen, maar in Nederland toch in het bijzonder. De laatste jaren is sprake van een ware revival. Alles is relatief, dat geef ik meteen toe, maar in een decennium is het aantal Nederlandse reuzen bijna verdubbeld. Op een aantal van twintig is dat uiteraard snel gerealiseerd, maar als deze ontwikkeling wordt vergeleken met de problemen waarmee vele andere vormen van volkscultuur te maken hebben, is dit toch opvallend.

Recent zijn de reuzen van Wûnseradiel (1989), Oisterwijk, Moergestel en Heukelom (2000), Losser (2002), Tilburg, Udenhout en Berkel-Enschot (2008), Hilvarenbeek (2009) en Liempde (2009). Volgend jaar krijgt Maastricht er een nieuwe reus bij. Het reuzengilde van Oisterwijk, Moergestel en Heukelom werkt aan een klein reusje. Dat moeten er drie worden. Deze reusjes zijn zeer beweeglijk. Het optreden daarvan is vooral gericht op kinderen. De belangrijkste reden echter om deze reusjes te creëren is om ze als middel te gebruiken voor een jeugdbeleid. Dit beleid moet jongeren inspireren lid te worden van het reuzengilde. Er wordt ingezet op het werven van meteen een grotere groep omdat jongeren zich onder elkaar beter thuis voelen dan bij mensen van middelbare leeftijd. Ook de reuzengroep uit het Friese Wûnseradiel heeft serieuze plannen voor het interesseren van jongeren. Nog een paar andere voorbeelden van de vitaliteit van de Nederlandse reuzen. In Roermond hebben de begeleiders zich in het nieuw gestoken. De Boxtelse reus Jas de Keistamper heeft een verjongingskuur ondergaan. Over vitaliteit gesproken: Tilburg bouwde drie reuzen. Toen ze net klaar waren en nog voordat ze den volke konden worden getoond, gingen ze bij een brand verloren. Diezelfde dag nog werd besloten tot herbouw. Vandaag zijn de drie herbouwde reuzen de hoofdrolspelers in hun eigen optocht. Het is voor de eerste keer dat ze in Tilburg optreden.

Ondertussen zijn er aanwijzingen dat binnen afzienbare tijd nieuwe initiatieven worden genomen voor het bouwen van reuzen. Gemeenten staan positief tegenover reuzen omdat ze meer en meer worden gezien als zeer zichtbare ambassadeurs. De reuzen nodigden uit tot het vertellen van het verhaal van de gemeenschap die ze vertegenwoordigen. Alle nieuwe initiatieven moeten allemaal dezelfde hobbel nemen. Veel mensen hebben nog nooit van reuzen gehoord. Ga er dan maar eens aanstaan om een gemeente, subsidiegevers en potentiële vrijwilligers hiervoor warm te krijgen. Dit vraagt visie, overtuigingskracht en een sterk geloof in eigen kunnen. Anders lukt het niet. Dit zegt natuurlijk heel veel over de aard van de verschillende Nederlandse reuzengroepen.

Alle elf reuzengildes in Nederland zijn goed functionerende en krachtige stichtingen of verenigingen. Per groep zijn er gemiddeld tussen de 25 en de 50 personen bij betrokken. Gemiddeld wordt per jaar aan drie tot vijf optochten in binnen- en buitenland deelgenomen. De reuzen van Bergen op Zoom traden vorig jaar zelfs in Bergen op Zoom op. Over het algemeen slaagt men er goed in financieel de broek op te houden. Nieuwe technieken zijn en worden bedacht om reuzen te bouwen, te vervoeren en voort te bewegen. Een zeer innovatieve reus is de onlangs gedoopte Hildewaris van Hilvarenbeek. Kenmerkend voor een reus is het gat in de kleding op ooghoogte zodat de drager kan zien waar hij loopt. De makers van de reuzin van Hilvarenbeek vonden dat gat storend. Ze monteerden bovenin een camera. De bestuurders van deze reuzin op wieltjes kunnen binnen in de pop op een scherm zien hoe ze moeten lopen. Zeker zo interessant is dat deze reuzin tevens een poppenkast in. Het onderstuk is als zodanig ingericht. Als de reuzin ergens stilstaat, kunnen kinderen op deze manier worden vermaakt. In de constructie van deze Hilvarenbeekse reus zijn lichte metalen verwerkt. Ook dat is een innovatie, die ook in de reuzen van Tilburg, Udenhout en Berkel-Enschot is toegepast. Reuzenbouwers moeten tegenwoordig wel terugvallen op bijvoorbeeld aluminium omdat de reuzenvlechters in Vlaanderen zo goed als uitgestorven zijn. Ze vragen exorbitante prijzen. De nieuwe reuzin van Liempde is overigens gemaakt door een Nederlandse mandenvlechter.

De Nederlandse reuzengezelschappen kennen ook bedreigingen. Deze zijn onder meer financieel van aard. Reuzengenootschappen kunnen niet zonder subsidies. Als zoveel andere organisaties valt het de reuzengroepen steeds moeilijker vrijwilligers te binden en nieuwe mensen te interesseren. De bedreigingen worden gezamenlijk aangepakt. Daartoe is in 2008 onder auspiciën van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur een landelijke Reuzenfederatie opgericht. De belangrijkste doelstelling is: elkaar helpen. Men kan elkaar goed van dienst zijn met het uitwisselen van gegevens over optredens, financiële acties en het afstemmen van activiteiten. Wat dat laatste betreft: volgend jaar worden in Nederland drie grote reuzenoptochten gehouden, in Maastricht, Roermond en Oisterwijk. Wie dit jaar in Nederland nog reuzen in optocht wil zien moet op 16 augustus naar Losser gaan.

De bedreigingen zijn echter veel minder groot dan de positieve geluiden die er over de Nederlandse reuzencultuur zijn te geven. Het is dan ook bijzonder jammer dat de Nederlandse regering het voorstel van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur niet over heeft willen nemen om het Akkermansgilde uit Venlo met de twee oudste reuzen van Nederland op de lijst van de UNESCO van het immaterieel werelderfgoed te zetten. De Belgen wisten wat dat betreft dit fenomeen wel op waarde te schatten. Daar staan vijf reuzenoptochten op deze belangrijke lijst en twaalf reuzen. Helaas moeten we keer op keer vaststellen dat in België veel meer respect bestaat voor volkscultuur dan in Nederland.

Van de achttien/twintig reuzen in Nederland, bestaan er elf in Noord-Brabant, vijf in Limburg en één in Overijssel en Friesland. Het is dus vooral een zuidelijke aangelegenheid. Hierin zie je de invloed van Vlaanderen terug. Maar wat ook meespeelt is de traditie van optochten, praalwagens, verkleedpartijen en carnaval. Overigens willen de Nederlandse reuzen niet vereenzelvigd worden met carnaval.

De toename van het aantal reuzen is vooral op het conto van de Brabanders te schrijven omdat er daar sinds 2000 acht bij zijn gekomen. Dat begon met de drie reuzen van de gemeente Oisterwijk. Het concept dat daar werd bedacht heeft andere plaatsen geïnspireerd. De huidige gemeente Oisterwijk ontstond in 1997 als gevolg van een gemeentelijke herindeling. De drie dorpen Oisterwijk, Moergestel en Heukelom werden samengevoegd. De inwoners van de nieuwe gemeente moesten aan elkaar wennen. Een culturele organisatie in Moergestel kwam daarop met het initiatief om alle drie de kernen een eigen reus te geven. Een reus drukt de identiteit uit van een gemeenschap. Door deze reuzen samen te bouwen en te beheren zouden de inwoners naar elkaar toegroeien. Dit concept van eenheid in verscheidenheid werd een groot succes. De buurgemeente Tilburg met ook drie kernen sinds de gemeentelijke herindeling nam het over. Op dezelfde gronden heeft de bestaande reuzengroep van Boxtel aan de kleine kern Liempde een reus geschonken. Deze ontwikkeling bracht in het nabije Hilvarenbeek een al langer sluimerend plan voor het bouwen van een reus tot leven.

Het geheim van dit succes is het benadrukken van de functie van een reus. Een reus of reuzin is niet zomaar een pop van gevlochten wilgentenen, staal, aluminium of polyester, maar hij of zij is een weerspiegeling van een gemeenschap. Dat kan een stad zijn, een dorp, een wijk of een vereniging. Een reus wordt dan ook als een echte inwoner van een plaats beschouwd. Ze worden gedoopt in het bijzijn van een peter en een meter en ze worden ingeschreven in het bevolkingsregister. Veelal zijn notabelen bereid om als beschermheer op te treden, wat onder meer het geval is in Maastricht (de burgemeester) en Tilburg (de vrouw van de burgemeester). Verjaardagen van reuzen zijn aanleiding tot het organiseren van grote feesten met optochten. Veel gemeenten zien de reuzen met hun folkloristisch verklede begeleiders als bijzondere ambassadeurs. In deze tijd met een groeiende aandacht voor tradities, folklore, historische verenigingen en streektalen bestaat er blijkbaar behoefte aan een fenomeen als een reus die uitdrukking geeft aan de plaatselijke eigenheden. Dat klinkt luid en duidelijk door in de namen en de uitmonstering van de Nederlandse reuzen. Van een plaats in Nederland met een reus kun je zeggen: zeg me wie je reus is en ik zeg je wie je bent.

Zo beschouwd wortelen de Nederlandse reuzen in een zeer oude traditie. Maastricht had al een reus in 1550, Venlo in 1563 en Roermond in 1680. Andere reuzen zoals in Wûnseradiel en Losser zijn vormen van 'uitgevonden' folklore. Soms bestaan er dunne lijntjes met het verleden, zoals in Oisterwijk en Tilburg. In Tilburg werden in 192 twee reuzen gebouwd nadat de twee reuzen van Venlo op bezoek waren geweest. Een jaar alter bouwde ook Oisterwijk twee reuzen. Het is helaas niet bekend waar deze reuzen zijn gebleve.

In het verleden telde Nederland veel meer reuzen. Deze zijn verloren gegaan als gevolg van de Reformatie en met name in de Franse tijd. Dat gebeurde ook in de omringende landen, maar daar is men veel eerder begonnen met het herstel. Het beste voorbeeld daarvan is de enorme groei van het aantal reuzen in België, de bakermat van de hedendaagse reuzencultuur. In het ontstaan van de reuzen zijn processies en ommegangen belangrijk geweest. Daarin werden grote poppen meegevoerd. Ze stelden bijbelse figuren of heiligen voor, zoals Christoffel in 1398 in Antwerpen. Het ongeletterde publiek kon zo van hun bestaan kennisnemen. Er waren ook andere verschijningsvormen. Reuzen werden op stadswallen geplaatst om aanvallers schrik aan te jagen. In de Franse Midi hebben ze reuzen in de vorm van fabeldieren.

De Nederlandse reuzen maken onderdeel uit van een wereldwijd fenomeen. Het zijn universele verschijningsvormen van angst, religie, macht en cultuur. Vooral cultuur, van volkscultuur. In de profane en religieuze wereldliteratuur komen tal van reuzen voor als helpers, helden, goden en monsters. In Oost en West symboliseren de reuzen de strijd tussen goed en kwaad. David die Goliath verslaat. De aartsengel Michaël die de draak overwint. Sint Joris die de koningsdochter redt uit de klauwen van de draak. In het door Gulliver van Jonathan Swift bezochte land heerst de reuzenkoning Brobingnag. De Europese reuzencultuur kent ook relaties met oeroude mythologie. In de beleving van de nietige mens kon een reus de ontzagwekkende natuur verklaren. De Drenten namen aan dat de hunebedden bouwsel van reuzen waren. De heuveltjes in de buurt van de Vecht zijn hoopjes zand die uit de zakken van passerende reuzen vielen. De Rijn is een reuzenwerkje geweest. Twee reuzen groeven samen een eeuw aan de bedding. Nooit wisselden ze een woord. Toen een van hen een zucht slaakte, werd het hem te rumoerig en ging hij in zijn eentje de Waal aanleggen.